Ani Grigorian, docent maatschappijleer en decaan havo

De VO-raad voor voortgezet onderwijs krijgt steeds meer vragen van leraren, die willen weten hoe ze moeten omgaan met social media. Ze organiseren congressen en bijeenkomsten. Maar dat social media niet altijd funest zijn voor de schoolcijfers, bewijst docent Maatschappijleer Ani Grigorian op het Bonaventuracollege in Leiden. Op haar Instagram account mevrgrx post Ani dagelijks memes, wereldwijd nieuws en maatschappelijke onderwerpen en zo zet ze haar leerlingen aan tot nadenken. En halen ze betere cijfers …

Wil je het hele artikel lezen? Klik dan hier.


Familie van Bostelen, juni 2020

Familie van Bostelen, juni 2020

Deze maand de laatste Humans@Bona MP van dit schooljaar: Hans (docent Biologie) en Lucas (5HAVO) van Bostelen. Na de zomervakantie zijn we er weer!

Hoe is het om op dezelfde school te zitten als je vader? En wat als je als docent de kans loopt om je eigen zoon in de klas te krijgen?

Lucas is nu eigenlijk klaar met school, de laatste toetsweek is voorbij. Wat doet hij nu zoal op een normale doordeweekse dag?

“Ik ben begonnen aan het sorteren van de Magic-kaartencollectie die ik heb. Dat zijn rond de 5000 kaarten. Ik game, en ik spreek nu weer iets meer af met vrienden. We gaan soms wandelen en spelletjes doen, maar wel op afstand. Ik probeer wel echt op de regels te letten.”

Hans valt in: “Nou, de kinderen houden zich eigenlijk beter aan de regels dan hun ouders. Zij voelen zich verantwoordelijker voor ons, opa’s, oma’s etc.. Mijn drie zoons maken schoon bij opa en oma, en dat doen ze sinds kort ook weer. Ze doen dan een mondkapje op, anders vinden ze het niet veilig.”

Lucas: “Van school af gaan is nu wel heel gek hoor, ook omdat ik na de zomer begin bij een nieuwe studie en dat ook niet normaal verloopt. De studie waarvoor ik me had opgegeven [bio-informatica aan de Hogeschool Leiden] had nog een matchingsdag die niet doorgaat. Nu ben ik in principe binnen, maar ik heb gehoord dat we misschien maar één dag fysiek les hebben. Er zijn vier contacturen en de rest is online les en zelfstudie. Ik weet eigenlijk niet of ik dat kan, ik deed het altijd goed op school dus ik hoop dat ik die zelfdiscipline heb. Ik wil het echt graag doen dus ik denk dat ik het wel kan.”

Hans: “Dat denk ik ook. Met de juiste motivatie kan Lucas heel gedisciplineerd zijn. Hier op school deed hij het gros van zijn werk gedurende de lessen op school, dat lukte ook.”

Over elkaar tegenkomen op school zegt Hans: “Ik heb Lucas nooit in de klas gehad. Ik vind: als het niet hoeft, niet doen. Dat komt niet omdat ik geen les zou willen geven aan Lucas (dat doe ik als ouder al zeventien jaar), maar om ongemakkelijke situaties uit de weg te gaan. Ik krijg nu al wel eens het grapje dat ik vast het antwoordmodel van een toets van tevoren aan Lucas heb gegeven.”

Lucas: “Ook van mijn kant zou ik dat niet echt willen. Hoewel, ik denk dat hij het goed doet als docent. Dat hoor ik van andere leerlingen en ook in de wandelgangen. Vaak, als ik mijn vaders naam hoor op de gang, zet ik mijn oren toch wat extra open. Ik had eigenlijk eerst voor het Da Vinci college gekozen, maar daar deden ze toen wat moeilijk over mijn Citoscore, die lager lag dan het schooladvies, en toen heb ik toch gekozen voor het Bona. Ik vond het een leuke school en mijn vriend Koen ging hier ook heen. We hebben wel in andere leerlagen gezeten maar we zijn steeds vrienden gebleven. En in HAVO4 kwamen we weer bij elkaar te zitten.”

Hans: “Je vergeet nog dat er hier ook een HAVO-brugklas was. Op het Da Vinci waren er combinatieklassen HAVO/VWO en MAVO/HAVO. Wij wilden gewoon een echte HAVO-klas voor Lucas, en dat kan hier. Het Bona past ook bij hem vanwege het sociale karakter van de school. Hij heeft vijf jaar lang met enorm veel plezier meegedaan met de musical.”

Lucas: “Dat is waar. Ik heb de musical altijd heel fijn gevonden. Als klarinettist heb ik enorm veel geleerd van het in een orkest spelen. Je krijgt geen les, het is: ‘ga maar spelen en je moet het gewoon doen’. Als het niet goed gaat zit mijnheer Huisman [de dirigent] achter je aan en dat is heel eng (lacht). Het is supergezellig en je leert veel mensen kennen. Ik merkte het echt aan mijn spel als de musical weer begon; ik speelde meer en je let op andere dingen dan in je eentje”.

Hans veert op: “De musicaltijd in school is altijd bijzonder, zelfs als je niet meedoet. Op vrijdagmiddagen ga ik altijd een rondje lopen door de school en dat is zo leuk. Je ziet leerlingen op een andere manier bezig, en leerlingen waarderen het heel erg als je even langskomt. Iedereen zet zich zo in. Dat geldt trouwens ook voor mijn online lessen die ik sinds de Coronacrisis geef: de leerlingen zijn er allemaal en ze doen allemaal mee. Petje af!”

Hans is docent biologie en ICT-coördinator. Hoe is dat tijdens Bona-Corona? “Als docent vond ik het heel gaaf om uit te zoeken hoe je je lessen op een andere manier kon geven. Ik probeer nu nog steeds nieuwe dingen uit. Het is leuk als dat aanslaat. Het lastigste blijft natuurlijk dat je de leerlingen niet ziet, en dat ze soms niet zo snel vragen stellen of durven te beantwoorden. Bovendien mis je al het non-verbale contact.”

Lucas weet denk ik wel waarom leerlingen niet zo snel dingen vragen: “In de klas stel je een vraag aan de docent, en er zijn dan heel veel mensen die het niet horen en die niet echt op jou letten. Als de docent voorbij loopt kun je ook zacht iets vragen. Online hoort iedereen jou als je iets vraagt of zegt. Dat maakt misschien wel uit.”

Hans: “Voor mij als ICT-coördinator is het een succes dat het online lesgeven wel werkt en dat de collega’s dit samen hebben opgepikt. En ik hoop dat de collega’s die zich normaal niet zo ICT-vaardig vinden merken dat ze dat wel zijn. Ze zagen er tegenop, deden het toch en konden toen trots zijn op zichzelf.”

Hoeveel lijken vader en zoon eigenlijk op elkaar?

Hans reageert gelijk: “Niet echt veel vind ik. Ik heb drie zonen waarvan er eentje heel erg op mij lijkt. Lucas lijkt meer op zijn moeder.”

Lucas is het daar niet helemaal mee eens: “Ik heb eigenschappen van mijn moeder en mijn vader. Soms maak ik scherpe opmerkingen, en mijn humor en wat gewoontes die ik heb lijken op de jouwe. Als jij dingen vertelt over vroeger, dan herken ik wel dingen van mezelf daarin.” Hans luistert nadenkend en knikt dan: “Ja, daar ben ik het wel mee eens. Lucas is zorgzamer dan ik en rustiger, maar heeft wel mijn interesses.”

Lucas: “Een van de beste eigenschappen van mijn vader is zijn humor. Die gebruikt hij op een manier waarmee hij serieuze zaken toch goed bespreekbaar kan maken. Hij doet het goed als vader en ik ben heel tevreden met hem”.

Hans: “Wat ik bewonder aan Lucas is dat hij al zijn zaakjes altijd keurig zelf regelt, soms al voordat wij als ouders weten dat het geregeld moet worden. Die voortvarendheid heeft hij niet van ons, maar helemaal van zichzelf! Ik ga hem wel missen op school.”


Directrice Marlies Otte, mei 2020

Directrice Marlies Otte, mei 2020

over “Bona-Corona”, het onderwijs op de Mariënpoelstraat tijdens de lockdown.

Marlies, hoe gaat het met je?

“Goed. Het is voor iedereen natuurlijk heel anders dan anders, maar gezien de omstandigheden gaat het goed. Wat ik natuurlijk het meest mis is direct contact: de praatjes met leerlingen en collega’s, de gezelligheid in de personeelskamer.

Aan de andere kant is er wel heel veel contact binnen het managementteam, het MT [de teamleiders en de directeur samen]. We werken goed samen en we hebben ondanks alles ook veel lol. Elke dag zitten we op mijn kamer. We sparen elkaar niet, maar werken heel goed samen. Voor de crisis vergaderden we eens in de week. We vergaderen nu twee of drie keer per week, en voor de rest zit iedereen toch vooral op mijn kamer of is er virtueel bij vanaf thuis. Ik ben heel blij dat ik een grote tafel heb. Je kunt snel schakelen, sparren en communiceren. Ik vind het leuk om te zien hoe complementair het MT is.”

Hoe gaat het de komende tijd verder met de school als geheel?

“We communiceren als MT gezamenlijk naar buiten en naar het personeel en dat blijft voorlopig zo. Soms is dat erg lastig. Je bent afhankelijk van wat de nieuwe maatregelen worden. Nu is het: VO-scholen gaan zo vroeg mogelijk weer open. Maar je leest dan overal: 1 juni gaan ze open [dit interview is afgenomen voordat bekend werd dat de scholen 2 juni weer opengaan]. We krijgen wel vrijheid daarin, maar we stemmen af op SCOL-niveau. We werken al een hele tijd in scenario’s. Dus je denkt de hele tijd “wat als” en je kijkt dan wat haalbaar is. Met 1000 leerlingen anderhalve meter afstand houden is simpelweg niet haalbaar. Je denkt dus steeds na over wat we willen, maar ook of dat wel kan. We zijn ook bezig met overgangsnormen.

Een van de belangrijkste redenen dat we gezegd hebben dat we niet gelijk weer toetsen in de niet-examenklassen gingen doen was dat we eerst rust en regelmaat wilden krijgen in die online lessen. We hebben een enquête gehouden, en leerlingen wilden graag contact met hun docenten. Bij een toetsweek heb je geen lessen en dus geen contact met de docenten. Na de meivakantie gaan we lessen op afstand combineren met de toetsweek voor de eindexamenklassen. We hebben eigenlijk drie groepen: de examenleerlingen, de rest van de bovenbouw die een examendossier opbouwt, en de onderbouw. Per groep kun je andere beslissingen nemen. Dit moet altijd in overleg en met actief meedenken van verschillende mensen. Maar dat is niet makkelijk.”

Hoe sluiten de examenleerlingen nu hun jaar af?

“We willen eigenlijk dingen rondom de eindexamens proberen hetzelfde te doen als normaal, ook al is het de eerste keer sinds de Tweede Wereldoorlog dat een examen niet doorgaat. We hebben alle examenleerlingen een kaart gestuurd, want voor hen is het examen ineens zo anders geworden. We hebben bewust de laatste toetsweek voor de examenkandidaten pas na de meivakantie gedaan om rust in te bouwen. Die laatste toetsweek kan nu echt een afsluiting van het jaar worden, in plaats van de examens. Ik hoop dan ook dat ze dat serieus nemen. Er is daarna een reguliere herkansing van de toetsweek.

Dan hebben we ook nog de RV-toetsen [=ResultaatVerbeteringstoets; een toets die je kunt maken die voor een groot percentage meetelt om je SE-cijfer als geheel te verbeteren, en dus alsnog te kunnen slagen. Het is dus een variant op het herexamen]. Ik vind dat goed, ik stond er zelf na mijn SE ook niet optimaal voor, dus ik gebruikte het CE om op te klimmen. Docenten hebben nog geen ervaring met RV-toetsen; ze krijgen informatie van het Cito, en we geven suggesties over hoe je dat kunt aanpakken. Alles is helaas nieuw. We overleggen ook met de docentengeleding van de Medezeggenschapsraad over allerlei zaken.”

Hoe weet je hoe het met iedereen gaat?

“Via de teamleiders is er contact met het personeel. Er zijn af en toe wel een paar mensen op school. We kijken naar hoe het gaat met de lessen, in Magister kunnen we zien of dingen ingevuld zijn, en we nemen contact op met mensen als dingen opvallen. De mentoren hebben contact met leerlingen en daar horen wij vervolgens weer dingen over. We willen contact houden, dat is belangrijk.”

Kun je iets uit deze crisis meenemen voor later?

“Sommige leerlingen zijn zeer gebaat bij deze vorm van onderwijs. Ik wil sommige dingen behouden voor de toekomst. We willen alle ervaringen en successen die we nu meemaken hopelijk niet verloren laten gaan. We waren al bezig met onderwijs vernieuwen, verbeteren, maatwerk leveren. Een voorbeeld kan zijn dat je minimaal 1 contactuur hebt, maar ook zelfwerkuren, etc. Je kunt je afvragen of alles wel klassikaal moet voor iedereen. We horen vaak dat men lange dagen maakt. Zouden we geen vragenuurtjes kunnen plannen voor mensen die dat willen? De lesdag anders indelen? Dat heeft ook te maken met het vertrouwen geven aan je leerlingen. Dat moet nu wel. Dit is niet de toekomst van de school, deze noodgedwongen versnelde digitale onderwijsvernieuwing. Het kan het onderwijs niet vervangen, maar misschien wel verbeteren.”

Is er een persoonlijke eigenschap die je nu ten goede kunt inzetten, of eentje die je soms in de weg zit?

“Ik ben vrij flexibel en creatief. Ik heb nooit stress, het is alleen anders werken. Dat komt nu goed van pas. Ik denk wel vaak in grote lijnen, en niet altijd in details. Nu we veel samen met het hele MT doen is het fijn dat anderen mijn mindere kanten kunnen compenseren. Naast dat zij met me meedenken moet ik ook nog andere dingen doen naast Corona: Het leven naast Corona gaat ook gewoon door. Ik ben druk met de voorbereiding en planning van volgend schooljaar. De uren- en lessenverdeling en formatie. Daarom heb ik de rest van het MT ook erg nodig.”

Wat doe je buiten school?

“Ik wandel met de hond en ik ga elke zondag naar mijn moeder toe. Ze woont nog zelfstandig en heeft thuiszorg. Ze is lichamelijk nog heel goed, maar helaas wel dementerend. Ze heeft een rollator met een GPS-tracker. Wij kunnen zo op de app zien waar ze wandelt. Soms komt ze ons dus ‘spontaan’ tegen op straat, omdat ze is verdwaald. Ze heeft een vast team van mantelzorgers, en ik ben er op zondag. Ze weet wel dat Corona speelt en ze vindt het heel erg. Mijn jongste broer woont in Frankrijk, en die zit in een complete lockdown. De regering laat hier nog veel verantwoordelijkheid aan de burger en doet een beroep op het gezond verstand van de burger. In Frankrijk moeten ze een formulier hebben om de straat op te mogen. Ik heb eigenlijk wel geluk: ik ben elke dag op school, meer zelfs dan ik anders ben. Als je thuis werkt met kinderen dan is dat veel ingrijpender. ”

Waar ben je trots op?

“Op alle collega’s van de Mariënpoelstraat. Ze pakken dit heel goed op. Ik ben natuurlijk ook trots op de ouders en de kinderen. Niemand heeft hierom gevraagd maar we doen het toch maar mooi met elkaar! ”


Luuk en Ilse, april 2020

Luuk en Ilse, april 2020

Luuk en Ilse zitten allebei in 6VWO. Ze zijn nu dus ineens examenleerlingen in het “Coronajaar”. Hoe voelt dit? En hoe gaan ze ermee om?

Ilse: “Geen examen doen vind ik echt gek: je werkt 6 jaar naar een doel toe. Examen doen, dan vakantie en dan echt klaar zijn. Het doel valt nu ineens weg. Ik heb vooral in de bovenbouw hard naar het examen toe gewerkt. En dan is het erg naar dat je via een NOS-pushbericht moet horen dat het niet doorgaat; een echte anticlimax. Aan de andere kant: in mijn omgeving waren mensen best blij, en ik zelf was ook best opgelucht, omdat we het nu niet onder deze omstandigheden hoeven te doen. Als je nu eigenlijk op niet slagen staat, dan is het nog wel spannend.

We moeten nog wel wat toetsen doen: ik dacht dat we dat misschien begin april al zouden moeten doen, maar dat wordt na de meivakantie. Op zich gaat het thuiszitten wel prima. Ik zit op mijn eigen kamer te werken, en mijn broertje ook, en mijn vader geeft beneden les. Ik probeer door te gaan, en zoveel mogelijk aan school te doen. Gelukkig is bij de meeste vakken de stof al wel af, dus het is nu vooral herhalen. Verder kijk ik heel veel Netflix en lees ik boeken buiten in de tuin. Ik ben niet zozeer bang, maar het is niet prettig. Ik blijf binnen en bij mensen vandaan. Ik werk in een klein restaurant in Leiderdorp. Er is nu maar steeds 1 persoon nodig in de bediening, dus sinds 13 maart heb ik nog maar eenmaal gewerkt. Ik had ook een examenreis geboekt, en het is de vraag of we het geld terug kunnen krijgen. Ik had voor begin juni geboekt; ik zou naar Kreta gaan. Als we nu annuleren krijgen we het geld nog terug. Voor mijn studie van volgend jaar had ik gelukkig geen matching of andere verplichtingen meer, ik was al aangenomen. Het diploma gaat gewoon gelden. Ik hoor alleen nog officieel per mail dat ik ben toegelaten maar dat is nog een formaliteit, gelukkig maar!”

Luuk: “Ik zit ook veel thuis op mijn kamer. Ik hield eerst elke dag school bij, maar nu onze laatste toetsen pas na de meivakantie zijn ga ik niet meer elke dag leren, maar af en toe zeker nog wel. Ik heb nu geregeld dat ik vier dagen per week ga werken. Dan werk ik wel na 15.00 uur, zodat ik nog wel online lessen kan volgen. Ik werk als vakkenvuller en doe soms de kassa bij de Action. We werken met handschoenen aan, alles moet schoon zijn en het is belangrijk dat iedereen een karretje krijgt. Sommige mensen willen dat niet, dat snap ik echt niet.

We hebben vestjes aan met “houd afstand”. Het is nog best druk in de winkel, er mogen niet meer dan 100 mensen in de winkel, en soms halen we dat aantal bijna. Ik was op weg naar school voor mijn Engels mondeling en toen hoorde ik dat de examens misschien niet door zouden gaan. Op school kwam het definitieve bericht. Aan de ene kant zag ik het aankomen: de RIVM had het advies aangepast en er kwam kritiek vanuit de politiek. Ik was best blij, omdat de kans dat ik zak nu echt heel klein is. Maar er zitten ook mensen aan de andere kant die het nu misschien niet halen, en dat is dan heel jammer. Ik zou met mijn vriendin in juli gaan Interrailen naar Rome en Boedapest. Het is pas in juli, en we hebben de mogelijkheid gekregen om tot 1 mei gratis te annuleren. We weten nog niet of we dat willen, maar ik vermoed dat we het annuleren. We kunnen alsnog later beslissen om wel te gaan door opnieuw een Interrailkaart te kopen. Twee weken van tevoren kunnen we onze verblijven annuleren omdat we bij AirBnB geboekt hebben; dat is wel een gelukje. Bij mijn studie zit het wat anders dan bij Ilse: Ik had een meeloopdag gepland bij Security Studies, maar dat kan nu niet. En daar baal ik wel echt van. De inschrijfdatum voor studies is nu verlengd tot 1 juni, maar dat maakt niks uit, want er is geen meeloopdag meer. Ik schrijf me wel in, en kan tot 1 januari volgend jaar nog stoppen. Ik ga nu niet een tussenjaar doen, dat wil ik liever niet. Ik heb een oud-collega die er erg positief over is, het is een relatief nieuwe studie. Er is wel veel info online te vinden en ik heb het besproken met mijn ouders. Het lijkt me heel leuk, dus ik ga het toch doen!”


Oskar ter Mors, docent geschiedenis, mentor 2AAGA, maart 2020

Oskar ter Mors, docent geschiedenis, mentor 2AAGA, maart 2020

Mijnheer ter Mors werkt nu 2,5 jaar op het Bona. Hij geeft geschiedenis in de onder- en bovenbouw. Maar we willen vooral meer weten over zijn hobby: zwaardvechten. Het gerucht gaat dat iemand die zeer op hem lijkt in de Efteling, op het plein voor de Raveleijnshow, zwaardvechtshows heeft gegeven. Daar wilden we natuurlijk het fijne van weten. “Na mijn stage voor docent geschiedenis was ik aan het solliciteren. Iemand die ik ooit zwaardvechtles had gegeven tipte mij over de baan op het Bona. Ik gaf al lang zwaardvechtles, en toen dacht ik eigenlijk nog dat ik daar ook wel in de klas iets mee kon doen. Het verschil is echter wel erg groot. Zwaardvechten is een fysieke vaardigheid, dus niet geestelijk. Ook zijn mensen anders gemotiveerd voor mijn sport, omdat ze zelf voor deze sport kiezen. Een gewone les is voor een grote groep die op stoelen zit, dus je hoeft niet op de veiligheid te letten. Ik zou niet willen kiezen tussen lesgeven op school of in zwaardvechten, het is beide erg leuk. Een fysieke sportles is gaaf, maar als ik alleen dat zou doen zou ik er wel snel op uitgekeken zijn. Variatie is belangrijk. Ik geef nu 18 uur geschiedenis en 4 uur zwaardvechtles in de week. Ik doe aan vechten met een korte stok (zie foto 1), langzwaardvechten (zie foto 2), langmes, vechten met een rapier, met de dolk en ik doe ook nog aan worstelen (foto 3 voor alle wapens). Naast lesgeven train ik zelf ook nog. Ik wil nog beter worden, en ik ben ook competitief ingesteld. Een belangrijk doel voor mij is de vechtkunst, zoals die in de 15e en 16e eeuw gangbaar was, beoefenen. Dat betekent veel fysiek trainen en oefeningen doen, maar ook boeken lezen uit die tijd. In zo’n boek over de 15e en 16e eeuw staat veel algemene kennis over bewegen, slaan etc. waarvan de auteurs ervan uitgaan dat wij dat snappen. Dat is niet altijd zo. Er is tegenwoordig een website waar alle zwaardvechtboeken op staan, maar vroeger maakte men kopieën uit archieven. De staatsbibliotheek van München is groot en in Leiden en Den Haag staan ook wat boeken. Eens in de zoveel tijd wordt er een boek teruggevonden dat verloren gewaand lijkt. Of je vindt een deel terug, en de andere delen zijn er (nog) niet. Er is veel helaas verloren gegaan. Er zijn ook competities en die vind ik ook leuk om te doen. Er is een internationale ranglijst met verschillende wapendisciplines. Met langzwaard sta ik in de top 250 van de wereld, met de korte stok ben ik internationaal nummer 24 en landelijk ben ik negende en vierde geworden. Een paar keer per jaar zijn er grote wedstrijden in Nederland en in het buitenland. Er zijn vaak wel 100 deelnemers of meer bij de grotere toernooien. Bij de gewapende disciplines moet je ook kunnen worstelen om iemand tegen de grond te krijgen. Net als bijvoorbeeld schermen is het de bedoeling om iemand te raken. Daarna kan iemand nog reageren, en daarna wordt door de scheidsrechters bepaald wie er punten scoren. Het hoofd en steken is meer punten waard dan een slag of een kleine snede. Je staat op een mat van 4 bij 6 meter. Je hebt een schermmasker op, een dikke jas aan en op je armen, ellebogen, knieën en schenen zitten harde platen. Je hoeft er geen vergunning voor te hebben, je mag zwaarden hebben en vervoeren, je moet ze alleen goed inpakken zodat ze niet herkenbaar zijn en niet gebruikt worden als wapen. De reacties van mensen op mijn sport verschillen. Veel mensen vinden het gaaf. Sommige mensen denken dat het alleen gaat om het verkleden en een rollenspel spelen, maar dat is het dus echt niet. Het is echt een vechtsport met wortels in historisch onderzoek. De krijgskunst van de moderne tijd heb ik nooit zo boeiend gevonden, net als het sabelvechten uit latere tijd. Die Middeleeuwse vechtkunst is een traditie die uitgestorven is. Dat is toen geëvolueerd en vooral geworden tot de moderne schermscholen. Het is nu een sport, en niet meer voor verdediging of oorlog. In mijn sport pakken we die Middeleeuwse traditie weer op. Het is interessant om die kunst weer door te geven. Als je ziet hoeveel sommige mensen trainen en op welk niveau ze vechten is dat veel. Er zijn nu 700 beoefenaars in Nederland, en ook wereldwijd groeit het aantal. Dat komt vooral omdat er meer zichtbaarheid is. Er zijn meer websites, het is te vinden op sociale media en we kunnen meeliften met wat andere sporten. Fantasyseries zijn populairder dan ooit. De kostumering en de vechtscènes zijn best goed gedaan in bijvoorbeeld een Zweedse remake van de serie Kingdom of Heaven, het vechten van Aragorn in de film Lord of The Rings, en in de serie Outlaw King op Netflix. Aan de andere kant: de meeste choreografen doen soms maar wat met zwaardvechten in hun films, en de acteurs met verschillende achtergronden kunnen dus eigenlijk alles net niet. Ook praten tussendoor in vechtscènes vind ik vreemd, je hebt helemaal geen tijd om te praten omdat het gevecht heel snel gaat. Als je dit wilt leren heb je al een aantal groepen waar je heel snel dingen leert. Binnen twee jaar kun je soms al heel goed zijn in toernooi vechten. Als je het echt wilt begrijpen ben wel tien jaar bezig, omdat er zoveel aspecten aan zitten. Schermkunst leren is een vorm van persoonlijke ontwikkeling. Het gevoel dat iemand zou kan aanvallen met een stalen zwaard en dat je weet wat je daarmee moet doen, geeft je ook veel zelfvertrouwen in andere situaties. Er is een juist moment om te handelen, observeren, dat je in actie moet komen. Dat zijn nuttige dingen die je kunnen helpen, naast je fitheid. Iedereen heeft zelfvertrouwen nodig en voor mij was dit de manier.” Wil je mijnheer ter Mors in actie zien, kijk dan hier en hier


Juliette en Zena, januari 2020

Juliette en Zena, januari 2020

Juliette en Zena uit 1H zitten sinds dit jaar hier op onze school. Zena tekent graag en doet de vooropleiding dans en musical bij de Theaterschool In Leiden. Juliette bouldert en houdt van manga, ook heeft ze een tijd in België gewoond. Zena:  “Ik wilde al jaren naar het Bona op de Mariënpoelstraat, ik heb mijn oudere zus zelfs overgehaald om naar de Open Dag van het Bona te gaan, terwijl ik nog lang niet naar de middelbare school ging. De brugklas vind ik wel te doen, ik doe soms niet al het huiswerk omdat ik ook veel extra dingen moet doen voor mijn danslessen. Ik wil graag acteur worden, en de opleiding volgen aan de Theaterschool in Amsterdam. Het lijkt me leuk om in films te spelen. Niet om beroemd te worden, maar als dat lukt is dat wel mooi meegenomen. Op dit moment speel ik Sammy in Grease. Een slechterik spelen is ook leuk omdat dat vaak een grote rol is.” Juliette: “Ik houd niet van goeieriken, want die mogen veel minder doen. Bij het boulderen ben ik lichamelijk niet heel sterk, maar wel strategisch sterk. Ik denk vaak eerst goed na waar ik heen moet klimmen, en op welke stukken je makkelijker kunt klimmen. Eerst denken en daarna doen. In de klas is dat alleen precies andersom 😊. Als ik een vraag heb, dan begrijp ik zelf heel goed wat ik wil weten, maar de docent snapt dat niet altijd.” Zena en Juliette over de Mariënpoelstraat: “Het grootste verschil tussen de basisschool en de middelbare school is de tijd die je na schooltijd kwijt bent aan huiswerk. Vroeger had je veel tijd om je te vervelen. Nu moeten we veel meer huiswerk doen en is er eigenlijk geen tijd om je te vervelen, omdat er altijd nog wel iets is dat je kan doen. Het geen huiswerk maken of spullen vergeten wordt per docent wel anders bekeken. Een favoriete docent is sowieso mevrouw van den Brink van tekenen. Ze geeft je veel vrijheid. Je krijgt een opdracht en dan doe je het, en als het niet helemaal klopt blijft ze altijd positief. Ze legt ook niet heel lang uit, en heeft vaak een goede oplossing voor dingen. Dat lijkt op de vrijheid die je op de basisschool had. De andere favoriet is mevrouw Jansen van Godsdienst. Ze heeft een fijne stem om naar te luisteren, en ze vertelt veel interessanter over godsdienst dan je zou verwachten. De Mariënpoelstraat is een goede school, en de docenten zijn behulpzaam. Ook zijn de ouderejaars aardig, ze wijzen je de weg in de eerste weken. De school lijkt misschien groot van buiten, maar je vindt binnen heel snel je weg. Hier kun je met allerlei mensen omgaan. Bijvoorbeeld in het musicaldansteam is iedereen gelijk. Onze klas is leuk, maar een beetje verdeeld. Een paar mensen zijn druk en zeggen altijd veel, en een aantal niet. Mijnheer de Zwart is onze mentor. Hij is LO-docent dus hij houdt niet perse van werken. Soms praten we in de mentorles, leren we voor de toetsweek, doen we spelletjes of kijken we een stukje film. Hij is aardig, en in de studielessen verveel je je nooit. Bona Mariënpoelstraat is een veel leukere school dan je misschien verwacht. Sommige kinderen op de basisschool zeiden dat het een kakschool is, maar dat is echt niet waar.”


Ming Lie, december 2019
Ming Lie zit in 4 VWO, en is erg muzikaal. Hij versnelt het vak muziek (hij volgt het programma van 5 VWO), speelt veel instrumenten, zingt, en arrangeert ook stukken voor de Bonamusical. We zochten Ming op om meer te weten te komen over wie hij is, en hoe belangrijk muziek in zijn leven is. “Ik speel gitaar, piano, saxofoon, drum, ik zing, en soms speel ik ook ukelele. Dat ik zoveel muziek om me heen heb, heb ik te danken aan mijn ouders: mijn vader is erg geïnteresseerd in jazz en speelt goed piano, mijn moeder speelt op hoog niveau dwarsfluit en zingt. Mijn twee oudere zussen volgen nu allebei lessen op het conservatorium. We spelen ook wel eens samen, toen mijn opa 80 werd hebben we als gezin een nummer voor hem gespeeld. Ik vind muziek als een cadeau heel waardevol. Zelf heb ik dat ook ervaren: via mijn eerste gitaardocent kreeg ik een erg mooi gitaarstuk. Dat stuk vind ik nog steeds heel belangrijk en het raakt me als ik het speel of hoor. Hij is namelijk overleden aan slokdarmkanker. Het stuk is dus een herinnering aan zijn vriendelijkheid en de connectie die ik met hem had, en dat is mooi. Wanneer ik me somber voel, luister ik soms naar popmuziek, terwijl ik dat normaal niet vaak doe; in die teksten zit dan soms herkenning. Er zijn bepaalde genres waarbij ik me niet kan indenken waarom iemand het voor langere tijd leuk vindt, zoals Frenchcore [een soort hardcore met een snelle, harde beat (red)]. Mijn favoriete stijlen die ik op mijn afspeellijst heb zijn vooral soul, funk, jazz en rap. En natuurlijk de Beatles. Van alles door elkaar dus! Die afspeellijst past eigenlijk goed bij hoe ik me nu voel met betrekking tot instrumenten en stijlen. Ik wil later iets met muziek doen, maar er is nu te veel keuze. Ik ben aan het kijken wat ik het leukste vind en waar ik uit kom. Het is net een soort studiekeuze. Ik houd erg van optreden en laten zien wat ik kan, maar een beroemdheid zijn en op grote podia spelen, past denk ik niet zo goed bij mij. Het lijkt me erg vermoeiend, maar dat zie je vooral bij popartiesten. Bij klassiek of jazz is dat denk ik anders, dan kijken mensen meer naar je muziek dan naar jou als persoon. Wat betreft muziek op de Mariënpoelstraat: er zijn veel open podia, en bij de musical speel je op je eigen niveau, dat is uitdagend en heel leuk. In de gewone lessen is het verschil in niveau soms groot, en niet iedereen heeft evenveel interesse in het vak. Maar de docenten doen hun best, en je leert er veel als je nog niet zoveel kennis had van muziek. Muziek kiezen is een aanrader! Meneer Nieuwenburg was in de onderbouw mijn favoriete docent, hij gaf goed les en zag ook goed wat ik nodig had als leerling. Het lijkt mij ook leuk om met anderen die goed spelen een schoolband te beginnen [dus meld je bij Ming als je interesse hebt ? (red)]. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit geen muziek gemaakt heb. Er zit altijd iets in mijn hoofd, het is zo’n belangrijke factor. Het is een soort minivakantie in drukke tijden. En het belangrijkste: door muziek voel ik me vrij, terwijl ik mij dat normaal niet altijd voel. Ik had bijvoorbeeld vroeger stotterproblemen, en die heb je niet als je zingt. Muziek kan je dingen laten voelen die je normaal nooit zou voelen, en je kunt er gevoelens mee uitdrukken; dat is voor mij heel bijzonder.”